Naar de inhoud

Kennisbank · Internet Marketing Begrippen

Web 1.0.

Maurits 15 min leestijd

Web 1.0 is de naam die achteraf is gegeven aan het web zoals dat er tussen 1991 en ongeveer 2004 uitzag. Pagina's waren vaste bestanden op een server, je kon ze lezen en verder niets. Reageren, plaatsen of meeschrijven kon een gewone bezoeker niet.

De grens is niet scherp. Er waren in 1999 al fora en webwinkels, en er staan vandaag nog sites online die precies zo gebouwd zijn. Web 1.0 beschrijft daarom geen periode met een begindatum en een einddatum, maar een manier van werken: zenden zonder terugweg.

Waar de naam vandaan komt

Niemand noemde het toen Web 1.0. De term ontstond pas nadat iemand het over Web 2.0 had, want je hebt een tweede versie nodig voordat de eerste een nummer krijgt.

Darcy DiNucci schreef in 1999 over een web dat zou opsplitsen in allerlei apparaten en gebruikte daar het woord Web 2.0 voor. Tim O'Reilly maakte de term vanaf 2004 groot met een conferentie van die naam. Pas daarna kreeg de periode ervoor met terugwerkende kracht een etiket.

Dat verklaart waarom Web 1.0 nooit een definitie heeft gekregen. Het is geen standaard, geen versienummer en niets waar een organisatie over gaat. Het is een verzamelnaam voor hoe het web werkte voordat gewone bezoekers konden bijdragen. Wat daarna kwam staat in het artikel over Web 2.0.

Hoe het web ontstond

Het internet bestond al voordat het web er was. Netwerken die met elkaar praatten via TCP/IP werkten sinds het begin van de jaren tachtig, en daarover ging e-mail, nieuwsgroepen en bestandsoverdracht. Wat ontbrak was een manier om documenten aan elkaar te knopen.

Tim Berners-Lee schreef daar in maart 1989 op het CERN in Genève een voorstel voor. Hij zette drie dingen bij elkaar: een adres waarmee je elk document kon aanwijzen, een protocol om het op te halen en een taal om het te beschrijven.

Die drie heten nu URL, HTTP en HTML, en ze doen nog altijd hetzelfde werk. Voor techniek van bijna veertig jaar oud is dat opmerkelijk.

In 1990 draaide de eerste server, op zijn eigen NeXT-computer. In augustus 1991 maakte hij het buiten het CERN openbaar. Op 30 april 1993 gaf het CERN de software vrij in het publieke domein, zonder licentie en zonder kosten voor wie dan ook. Zonder die beslissing was het web waarschijnlijk verloren van de gesloten netwerken die er destijds naast lagen.

Hoe een pagina in elkaar zat

Elke pagina was een bestand. Vroeg je /over-ons.html op, dan haalde de server het bestand over-ons.html van de schijf en stuurde dat terug, precies zoals het daar stond.

Er zat geen database achter, geen beheersysteem en geen inlog. Iedere bezoeker kreeg hetzelfde te zien, ongeacht wie hij was, waar hij vandaan kwam of hoe laat het was.

Wilde je een prijs aanpassen, dan opende je het bestand in een teksteditor, veranderde je het getal en zette je het via FTP terug op de server. Stond die prijs op vier pagina's, dan deed je dat vier keer. Vergat je er een, dan klopte je site niet meer en merkte je dat pas als een klant erover belde.

Voor een site van tien pagina's ging dat prima. Voor een catalogus van vijfhonderd producten niet. Dat is het gat waar een contentmanagementsysteem later in sprong.

Vormgeving met tabellen

CSS bestond op papier vanaf december 1996, toen het een aanbeveling van het W3C werd. Browsers deden er daarna jarenlang zo weinig mee dat je er in de praktijk niet op kon bouwen.

Dus werd de vormgeving in de inhoud gepropt. Een pagina met een menu links en tekst rechts was een tabel met twee cellen. Een pagina met een kop, drie kolommen en een voettekst was een tabel in een tabel in een tabel.

Daar kwam meer gereedschap bij. Het font-element zette lettertype en kleur per stuk tekst. Een doorzichtige gif van één bij één pixel werd uitgerekt om witruimte te maken. Framesets laadden meerdere documenten in één venster, waardoor je geen enkele pagina fatsoenlijk kon bewaren in je favorieten of doorsturen naar iemand anders.

Kleuren kwamen uit een palet van 216 stuks, omdat veel schermen niet meer dan 256 kleuren aankonden en de rest per computer anders uitpakte. Schermen waren 640 bij 480 of 800 bij 600 pixels. Wie zijn site breder maakte kreeg klachten over horizontaal scrollen.

Pas toen browsers CSS betrouwbaar uitvoerden kon de vormgeving loskomen van de inhoud. Dat is precies waardoor dezelfde pagina nu op een telefoon anders wordt neergezet dan op een groot scherm.

De inbelverbinding bepaalde alles

Bijna alles wat je nu vreemd vindt aan die sites komt door de verbinding.

Je modem belde via de vaste telefoonlijn een nummer van je provider. Zolang je online was kon niemand in huis bellen, en je betaalde per tijdseenheid voor dat telefoongesprek. De snelheid liep op van 14k4 via 28k8 en 33k6 naar 56k, dat laatste vastgelegd in een standaard uit 1998.

Bij die snelheden duurde een foto van honderd kilobyte tientallen seconden. Vandaar de kleine, korrelige plaatjes en de tekst op plekken waar nu een afbeelding zou staan. Een pagina waar je een minuut op moest wachten werd domweg niet gebouwd.

ISDN was iets sneller en hield je telefoonlijn vrij. Rond de eeuwwisseling kwamen kabelinternet en ADSL, en daarmee verdween de reden om zuinig te zijn.

Ik vind dat we die zuinigheid te makkelijk hebben laten vallen. Een gemiddelde pagina van nu is vele malen zwaarder dan een pagina van toen, terwijl er niet meer op staat. Op een matige mobiele verbinding merk je dat meteen, en daar gaat het artikel over mobiele optimalisatie verder op in.

Nederland ging online

Nederland was er vroeg bij. XS4ALL begon in 1993 als eerste provider die particulieren toegang tot het internet gaf. De Digitale Stad opende in januari 1994 in Amsterdam, opgezet als een stad met pleinen, huizen en een café, waar je gratis een account en wat ruimte voor een eigen pagina kreeg.

Daarna kwamen de grote namen: Planet Internet, Het Net, World Online. Aan het eind van de jaren negentig verschenen de gratis providers, waarbij je alleen het telefoongesprek betaalde en verder geen abonnement had.

Domeinnamen liepen een eigen route. Het CWI in Amsterdam beheerde .nl vanaf 1986 en registreerde cwi.nl als eerste naam. Vanaf 1996 nam SIDN dat over. Tot begin 2003 kon alleen een ingeschreven bedrijf of instelling een .nl-naam krijgen, en dan ook nog maar één per organisatie.

Particulieren weken daarom uit naar .com of naar een adres bij hun provider, met een tilde en hun gebruikersnaam erachter. Dat is de reden dat zoveel persoonlijke sites uit die tijd op zo'n lang adres stonden en samen met de provider zijn verdwenen. Een eigen domeinnaam was in Nederland lang geen keuze maar een voorrecht.

Wie er publiceerde en hoe

Publiceren was werk voor mensen die HTML konden typen. Dat maakte het web een medium waarbij weinigen zonden en velen keken, ongeveer zoals een krant of de televisie.

Gereedschap kwam er wel. Netscape Composer zat in de browser, Microsoft FrontPage verscheen in 1996 en Macromedia Dreamweaver in 1997. Die programma's maakten rommelige code, maar je hoefde de taal niet meer zelf te kennen.

Ruimte kreeg je gratis bij je provider of bij GeoCities, dat in 1994 begon en je site in een thematische wijk plaatste, compleet met huisnummer. Yahoo kocht het in 1999 en sloot de Amerikaanse versie in 2009. Miljoenen pagina's verdwenen tegelijk.

Wat je op zo'n site tegenkwam: een bezoekersteller onderaan, een gastenboek, een plaatje met de mededeling dat de pagina onder constructie was, en een webring waarmee je doorklikte naar de volgende site over hetzelfde onderwerp. Die webring was het handgemaakte antwoord op het probleem dat zoeken nog niet werkte.

Zoeken voordat Google er was

Zoeken ging in twee smaken en geen van beide werkte goed.

De ene was de gids: een lijst met categorieën die mensen met de hand bijhielden. Yahoo begon in 1994 zo. In Nederland groeide Startpagina aan het eind van de jaren negentig uit tot precies dat, en die formule houdt zich nog steeds staande.

De andere was de zoekmachine. AltaVista ging eind 1995 open en indexeerde meer pagina's dan de concurrentie, met Lycos en Excite ernaast. In Nederland was Ilse er vroeg bij.

Rangschikken deden ze bijna alleen op wat er op de pagina zelf stond. Wie het woord vakantiehuis vijftig keer in witte letters op een witte achtergrond zette, stond bovenaan. De meta-tag waarin je je zoekwoorden opsomde was daar het bekendste hulpmiddel voor. Google liet in 2009 openlijk weten dat het die tag niet gebruikt.

Google zelf startte in 1998 met een ander idee: kijk naar wie er naar een pagina verwijst. Daarmee werd de hyperlink ineens iets waard en werden trucs met woorden op de pagina steeds minder effectief. Daarmee verschoof het werk van je eigen tekst naar de vraag of anderen je site de moeite waard vonden. Dat is nooit meer teruggedraaid.

De browseroorlog en het W3C

Berners-Lee richtte in oktober 1994 het W3C op om te voorkomen dat het web in onverenigbare stukken uiteen zou vallen. Dat gevaar was reëel.

Netscape en Microsoft vochten om de markt en bedachten allebei elementen die de ander niet kende. Netscape had blink, waarmee tekst knipperde. Internet Explorer had marquee, waarmee tekst over het scherm schoof. Wie een site bouwde koos een kant en zette er een plaatje bij waarop stond in welke browser je hem moest bekijken.

Het W3C legde de taal vast: HTML 2.0 in 1995, HTML 3.2 begin 1997 en HTML 4.01 eind 1999, met CSS1 in december 1996 en CSS2 in 1998 ernaast. Er kwam een validator waarmee je kon nakijken of je code klopte. In mei 1999 verscheen WCAG 1.0, de eerste richtlijn voor toegankelijkheid.

Dat die richtlijn er al in 1999 lag zegt iets. De problemen waar schermlezers nu tegenaan lopen en het te lichte contrast dat je overal ziet zijn geen nieuwe kwesties. Ze zijn alleen nooit opgelost.

Wat er goed aan was

Statische sites hadden eigenschappen die je tegenwoordig met moeite en geld moet terugkopen.

Ze waren snel, want de server hoefde niets uit te rekenen en niets op te zoeken. Alleen een bestand terugsturen dat er al was.

Ze waren ook nauwelijks stuk te krijgen. Zonder database en zonder inlogscherm is er weinig om binnen te komen. De aanvallen waar WordPress-sites nu last van hebben, op verouderde plugins en zwakke wachtwoorden, hadden domweg geen aangrijpingspunt.

En ze zijn blijven werken. Een pagina uit 1997 opent vandaag nog gewoon in elke browser. Dat kun je van weinig andere software uit dat jaar zeggen.

Wat er niet aan deugde

De klachtenlijst is langer dan de lofzang.

Er was geen weg terug van bezoeker naar eigenaar. Een e-mailadres in de voettekst was het complete contactkanaal. Wilde je een formulier, dan had je een script op de server nodig en toestemming van je provider om dat te draaien, en dat had lang niet iedereen.

Bijwerken kostte moeite, dus gebeurde het te weinig. Sites bleven jaren staan met verouderde prijzen, verhuisde adressen en telefoonnummers die niemand meer opnam.

Zoeken binnen een site kon niet, want er viel niets te doorzoeken behalve een stapel losse bestanden.

En links gingen dood. Iemand verhuisde zijn site, een provider stopte, een bedrijf ging failliet, en alles wat ernaartoe wees kwam uit bij een foutmelding. Dat probleem is nooit weggegaan. Het Internet Archive begon in 1996 pagina's te bewaren en opende in 2001 de Wayback Machine juist om die reden.

De dotcomcrash

Het einde van het tijdperk viel samen met het klappen van de internetzeepbel.

Bedrijven werden tussen 1998 en 2000 gewaardeerd op bezoekersaantallen in plaats van op omzet. De Amerikaanse technologiebeurs Nasdaq bereikte op 10 maart 2000 zijn hoogste stand en zakte daarna hard weg. Investeringsgeld voor nieuwe internetbedrijven droogde binnen een jaar op.

Nederland had zijn eigen sluitstuk. World Online ging op 17 maart 2000 naar de beurs in Amsterdam, in de grootste introductie die het land tot dan toe had gezien. Binnen enkele dagen zakte de koers onder de introductieprijs en bleek dat oprichter Nina Brink een groot deel van haar aandelen al eerder had verkocht. In 2009 oordeelde de Hoge Raad dat beleggers waren misleid.

De bedrijven die overleefden bouwden iets waar bezoekers zelf aan konden bijdragen. Daar kwam de naam Web 2.0 uit voort.

Wat ervan over is

Meer dan je zou denken.

HTML en de hyperlink zijn onveranderd de basis van het web. De structuur uit 1989 draagt nog steeds elke site die je bezoekt, inclusief die van jou.

Statische sites zijn teruggekomen. Onder de naam static site generators wordt een site één keer omgezet naar gewone HTML-bestanden en daarna kaal uitgeleverd. Jekyll begon daar in 2008 mee en er kwamen er tientallen achteraan. De argumenten zijn precies dezelfde als in 1997: snel, goedkoop en weinig om in te breken.

Ook een gewone WordPress-site werkt aan de buitenkant vaak zo. Een cacheplugin bakt van elke pagina een vast bestand en levert dat uit aan bezoekers, waarna de database er alleen nog aan te pas komt als jij iets wijzigt. Voor de bezoeker is er dan geen verschil met een site uit 1999, behalve dat hij er beter uitziet.

Wat je hier als ondernemer aan hebt

Het eerste dat blijft hangen gaat over gewicht. Vraag je eigen site eens op met een telefoon op een matige verbinding, ergens buiten de stad. Wat er dan gebeurt zegt meer dan welk rapportcijfer van een snelheidstest ook. In de tijd van de inbelverbinding was dat de enige test die er bestond, en daardoor werd er anders gebouwd.

Daarnaast is er de les over eigendom. Wie in 1999 zijn site bij zijn provider had staan, was hem kwijt toen die provider ermee ophield. Wie een eigen domeinnaam had, verhuisde en merkte er niets van. Dat geldt vandaag net zo goed voor je pagina op een sociaal netwerk. Je eigen adres en je eigen e-mail zijn het enige stuk waar niemand anders over gaat, en dat hangt aan de instellingen in je DNS.

Verder was er iets aan die oude sites dat we onderweg zijn kwijtgeraakt. Ze waren lelijk en traag, maar de vraag waarmee iemand kwam werd wel beantwoord, want er stond niets anders in de weg. Geen cookiebanner, geen nieuwsbriefvenster, geen chatballon. Dat is nog steeds de opdracht.

Veelgestelde vragen over Web 1.0

Wat is Web 1.0?

Web 1.0 is het web zoals dat er grofweg van 1991 tot 2004 uitzag: vaste HTML-bestanden op een server die bezoekers alleen konden lezen. Er was geen database, geen inlog en geen manier om als bezoeker zelf iets toe te voegen.

De term is een verzamelnaam en geen technische standaard. Er is geen commissie die heeft bepaald wat er wel en niet onder valt.

Wanneer begon en eindigde Web 1.0?

Het begin ligt bij de eerste openbare website in 1991 en het einde ergens rond 2004, toen blogs, wiki's en sociale netwerken doorbraken en de term Web 2.0 in omloop kwam. Die einddatum is een afspraak achteraf, geen gebeurtenis.

In werkelijkheid liep het door elkaar. Er waren in 1997 al gastenboeken en fora, en er stonden in 2008 nog volledig statische bedrijfssites online.

Wie bedacht de term Web 1.0?

Niemand in het bijzonder. Web 1.0 ontstond als tegenhanger nadat Web 2.0 was bedacht. Darcy DiNucci gebruikte Web 2.0 in 1999 en Tim O'Reilly maakte de term vanaf 2004 populair met zijn conferentie.

Wat is het verschil tussen Web 1.0 en Web 2.0?

Bij Web 1.0 kon je alleen lezen, bij Web 2.0 kon je meedoen. Technisch zit het verschil in de database: een Web 2.0-pagina wordt op het moment van opvragen samengesteld uit opgeslagen gegevens, waardoor bezoekers zelf iets kunnen achterlaten dat er de volgende keer nog staat.

Daar hoorde ook een andere machtsverdeling bij. De uitwerking staat in het artikel over Web 2.0.

Wat was de eerste website?

De eerste website stond op het CERN en legde uit wat het world wide web was en hoe je zelf een server kon opzetten. Hij draaide vanaf 1990 op de NeXT-computer van Tim Berners-Lee en was vanaf augustus 1991 van buitenaf te bereiken.

Het CERN heeft die pagina later teruggezet, dus je kunt hem nog steeds bekijken. Hij bestaat uit tekst en links, meer niet.

Bestaan er nog Web 1.0-websites?

Ja, en meer dan je zou verwachten. Kleine verenigingen, overheidsarchieven en persoonlijke pagina's staan soms al twintig jaar onaangeroerd online. Zolang de hosting betaald wordt en het domein niet verloopt, blijft zo'n site gewoon werken.

Wat er meestal wel misgaat is de beveiligde verbinding. Een oude site zonder geldig certificaat krijgt in elke moderne browser een waarschuwing voor zijn deur.

Waarom zagen websites er vroeger zo uit?

Door de beperkingen van toen: trage verbindingen, schermen van 640 bij 480 of 800 bij 600 pixels, en browsers die vrijwel niets van CSS begrepen. Bijna alles wat je nu lelijk vindt was een oplossing voor een van die drie.

De knipperende gif-bestanden en bezoekerstellers waren geen beperking maar mode. Die had niemand nodig.

Waarom gebruikte iedereen tabellen voor de vormgeving?

Omdat er niets anders was dat werkte. CSS was er vanaf december 1996 op papier, maar browsers voerden het zo verschillend uit dat je een ontwerp er niet mee kon opbouwen. Een tabel deed in elke browser hetzelfde.

Het nadeel merkte je pas later. Zo'n pagina is voor een schermlezer of een zoekmachine een raadsel, want de volgorde in de code zegt niets over de volgorde op het scherm.

Hoe snel was internet met een inbelverbinding?

Een modem van 56k haalde in de praktijk minder dan zijn naam beloofde, en dat was het snelste dat je over een gewone telefoonlijn kon krijgen. Een foto van honderd kilobyte kostte daarmee tientallen seconden.

Daar kwam bij dat de verbinding moest worden opgebouwd. Het piepen en ruisen dat mensen zich herinneren duurde ongeveer een halve minuut, elke keer opnieuw.

Wat was De Digitale Stad?

De Digitale Stad was een Amsterdams initiatief dat in januari 1994 openging en het internet voorstelde als een stad met pleinen, huizen en een café. Je kreeg er gratis een account en ruimte voor een eigen pagina.

Het was voor veel Nederlanders de eerste kennismaking met het web. Delen van de oude omgeving zijn later door onderzoekers gereconstrueerd en bewaard.

Wat is een statische website en is dat nu nog verstandig?

Een statische website bestaat uit kant-en-klare bestanden die de server ongewijzigd uitlevert. Voor een site die zelden verandert is dat nog steeds een goede keus: hij is snel, kost weinig aan hosting en er valt weinig te hacken.

Het wordt lastig zodra je zelf regelmatig iets wilt aanpassen, of een formulier, webshop of ledenpagina nodig hebt. Dan is een beheersysteem eenvoudiger, ook al is er meer onderhoud aan.

Wat is een gastenboek?

Een gastenboek was een pagina waar bezoekers een berichtje konden achterlaten, meestal als groet of compliment. Het was een van de eerste vormen van interactie op een website en in feite een voorbode van reacties onder een blog.

Ze zijn verdwenen door spam. Zodra geautomatiseerde programma's ontdekten dat ze er ongecontroleerd links in konden zetten, was een gastenboek binnen een week vol reclame.

Hoe kan ik een oude website terugzien?

Via de Wayback Machine van het Internet Archive. Dat archief bewaart sinds 1996 kopieën van webpagina's en is sinds 2001 openbaar doorzoekbaar. Je vult een adres in en kiest een datum.

Compleet is het niet. Pagina's achter een inlog, afbeeldingen en oude scripts ontbreken vaak, en sites die de crawler weerden zijn helemaal niet opgenomen.

Wat kwam er na Web 2.0?

De term Web 3.0 werd voor twee verschillende dingen gebruikt: het semantische web, waarin machines de betekenis van informatie begrijpen, en het gedecentraliseerde web rond blockchain. Die twee hebben inhoudelijk weinig met elkaar te maken, wat de term onbruikbaar maakt zonder uitleg erbij.

Web 4.0 is nog vager en wordt vooral in beleidsstukken gebruikt. Beide staan nuchter uitgelegd in het artikel over Web 3.0 en het artikel over Web 4.0.

Dit artikel hoort bij Internet Marketing Begrippen. Daar vind je meer uitleg over hetzelfde onderwerp.

Een vraag over dit onderwerp?

Vertel waar je tegenaan loopt.

Maurits denkt met je mee en geeft je een praktisch antwoord.

reactie dezelfde werkdag
Maurits van Platform Pro

Vertel kort waar je aan denkt

Nu gesloten, ik reageer de volgende werkdag

Maurits leest je bericht en neemt persoonlijk contact met je op.

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier